Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en wat plomp naast zijn levendigen hoffelijken broeder.

Hij hield van Roswitha als van een zuster en toonde haar die genegenheid op een stille vriendelijke wijze.

— Een groote stad ?" legde Carel uit. „Stel-je voor een groot aantal kleine burchten met heel veel zijpleinen die straten en stegen heeten, en één groot binnenplein waarop het raadhuis, en dat men markt noemt. Veel deuren en ramen, en achter elke deur een bedrijf."

— En achter elk raam een gezicht, soms heel mooi," vervolgde Eberhard. „Eens toen wij met den Landgraaf Frankfort doortrokken, liep de heele stad te hoop in de straten, en hing de rest over een vensterkozijn."

En hij lachte in het genot van een prettige herinnering.

Den volgenden ochtend was Roswitha al vroeg in Godelieves kamer.

— Kom mee! We gaan ringrijden op 't binnenplein. Eberhard zal zijn vos van allerlei laten vertoonen. Freia staat klaar, en ik heb voor jou den bruine laten opzadelen, dien je eergisteren hebt bereden. Ik heb lichte lansen voor ons beiden uitgezocht. Later wordt het te warm. Nu is 't nog mooi koel...."

Maar Godelieve ging niet mee. En zij zag er toch heel gezond en wel uit. Alleen maar een beetje verdrietig.

— Heb-je een gelofte afgelegd om aan geen wereldsche genietingen deel te nemen?" vroeg Roswitha, de „stadhuisachtige" woorden met weinig reverentie uitsprekende.

Dergelijke geloften waren niet zeldzaam in dien tijd.

Godelieve schudde het hoofd.

Maar wat dan! Jong, en gezond, en krachtig en toch in een doodsche kamer achter blijven, terwijl buiten de zon scheen, de paarden trappelden en Eberhard's en Carel's vroolijke stemmen gehoord werden!

Sluiten