Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had gezien, den blinkenden hellebaard in de hand. Kraaiend van pleizier was zij op de nog ongeoefende wankelende beentjes op hem toegestapt, de mollige armpjes vooruit om den „stok" te grijpen dien zij, o zoo mooi! vond. Toen had Wolf haar op den schouder genomen, den hellebaard aan den anderen kant op armslengte van zich af, opdat zij zich niet aan de blinkende spits zou bezeeren, en — de vriendschap was gesloten geweest.

De kleine Roswitha had sedert dien eiken dag naar Wolf uitgekeken en gezocht, en Wolf had zich altijd laten vinden.

Hij had speelgoed voor haar gemaakt van pijnappels en biezen, zooals hij dat indertijd voor zijn jongens had gedaan; hij had paarden en wagens en meer moois van dien aard voor haar gesneden en was daarbij onuitputtelijk geweest in wonderbaarlijke verhalen. Ook later. Een levend boek zonder eind, vol als Wolf altijd was van zijn reizen en tochten met ridder Dagobert, een altijd vloeiende bron van verhalen die in kracht van uitbeelding en v e r beelding toenamen, naarmate Roswitha's kracht van luisteren en verwerken was toegenomen. Dat waren heerlijke uren geweest, des zomers op torenplat of poort omgang; of bij guur weêr in Janna's warme behagelijke keuken.

Ridder Dagobert noch jonkvrouw Gonda hadden de wederkeerige vriendschap bemoeilijkt: Wolf en zijn Janna waren personen van beteekenis op den burcht: trouwe, hechte, eerlijke naturen ;hecht als de rots waarop de Valkenburcht was gebouwd, eerlijk als de natuur rondom.

Sluiten