Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar lag klacht, spijt noch verwijt in haar toon.

Toch trof iets daarin Roswitha.

Zij had tante Gonda nooit anders gekend dan in haar voorzienige zorg voor het groote huishouden op den Valkenburcht, de zieken daar en in den omtrek bezoekende of verplegende, raadsvrouw en steun van allen, altijd kalm en vriendelijk, wakende en werkende voor allen. Voor het eerst sprong haar de —eenzaamheid van tante Gonda in het oog. Zij was eenmaal jong geweest, had verkeerd in de wereld, die nu voor haar binnenkort zou opengaan, was aan het hof geweest.... Hoelang geleden ? En waarom niet meer? Had zij het gemis van dat rijke volle leven niet betreurd? Waarom had zij geen eigen huis en was zij niet getrouwd ?

— Liefste tante Gonda," riep zij onstuimig en kuste haar, „niemand zal mij ooit kunnen zijn wat u voor mij bent "

— En Godelieve?" vroeg zij na een poos, „zal het haar niet spijten niet mee te gaan ?"

— Godelieve is hier het liefst," verzekerde jonkvrouw Gonda „Zij verlangt niet naar verandering."

Roswitha vond Godelieve op de bank onder den grooten lindeboom aan het einde van het grasveld op een der zij pleinen.

— Ik behoef niet te vragen of de bode goed nieuws heeft gebracht," zeide zij, en trok Roswitha op de bank, vol verlangen om te hooren wat het zou zijn.

— Ik wilde dat je ook meeging," besloot Roswitha nadat zij alles verteld had.

„En tante Gonda.... Dan zou het onuitsprekelijk heerlijk zijn!"

— Het zal toch heerlijk zijn, Roswitha. En het blijde daarna bij je terugkomst: het vertellen! Een herinnering voor heel je leven. Voor ons leven," verbeterde zij. „Want als ik je hoor, zal ik meegenieten en ook herdenken. Nu zal er druk genaaid en geborduurd moeten worden. Je moet een hof gewaad hebben

Sluiten