Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Roswitha op de knieën voor het bed, haar gelaat naast dat van Godelieve, haar arm om haar heen.

Roswitha kon niet denken, niet overzien.

Zooveel onverklaarbaars en raadselachtigs botste en druischte tegen elkaar in haar hoofd!

Een snikvan Godelieve bracht haar tot 't leed vóór haar terug.

Godelieve, die zij van gebrek aan vertrouwen had verdacht en die haar pijnlijk geheim zoo zorgvuldig had verborgen, terwijl zij moest gesnakt hebben naar troost en deelneming!

Zij had Godelieve dat verbergen niet licht gemaakt! En nu een langer verbergen niet meer mogelijk was

— Lieve Godelieve," fluisterde zij, „ik b e g r ij p. Zeg mij nu alles. Stort je hart uit."

Godelieve weerde haar af. Maar Roswitha liet niet los. Wat Godelieve las in haar oogen brak haar weerstand.

Toen

Dat laatste jaar was een vreeselijk jaar geweest.

Haar moeder dood; geen beschermende liefde langer tusschen haar en haar vader, die meer en meer opging in zijn eerzuchtige plannen; alleen, op een leeftijd dat zij die plannen begon te beoordeelen en te v e r oordeelen. Haar vader altijd betrokken in veeten en twisten, in Godelieves oog niet veel meer dan middelen om zijn aanhang en zijn grondgebied te vergrooten. Onvermoeid en onverzadigbaar. Onbeperkte vrijheid voor hem, wiens leen een zonneleen was sinds onheuglijke tijden. Geen gezag boven hem. Hij voelde in zich de kracht tot heerschen. Waarom zou hij dat niet? Zijn stalen wil en zijn ijzeren vuist waren daartoe geroepen.

Met vrees en afkeer had Godelieve hem telkens zien gaan aan het hoofd van zijn vermetele volgers, dagen en nachten, soms weken wegblijvend; met vrees en afkeer zien terug keeren. Vrees voor de gevaren, waaraan hij zich blootstelde; afkeer van zijn geweldenarijen; verslagen bij het indenken aan de ellende waarvan hij oorzaak was.

Sluiten