Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IX.

Drukke dagen volgden op den Valkenburcht.

Ridder Dagobert zou met acht volgers gaan. Daar mocht niets aan uitrusting van man en paard ontbreken.

's Morgens vroeg was alles al in rep en roer.

In de wapenzaal werden rustingen uitgehaald, gepast, beklopt en duchtig nagezien. Lederen kolders, hozen en laarzen ingesmeerd, vernieuwd, of door nieuwe vervangen. Paarden werden gekeurd en nieuw tuig in de maak genomen.

In wapensmederij en smidse vlamden de vuren en klonken

de hamers.

Op Roswitha's uitdrukkelijk verlangen zouden Wolt en Hendrik meegaan. De eerste als hoofd der wapenknechts.

„Vader en zoon zagen er uit of er een groote zon binnen in hen brandde en door de oogen uitscheen," vertelde Roswitha. „Net een kolfje naar Wolfs hand. En dat Hendrik meegaat, naast hem, onder zijn vleugels om zoo te zeggen, verdubbelt zijn

vreugde."

Niet alleen in wapensmederij, snijderij en zadelmakenj was het druk. Ook in de vrouwenvertrekken van den burcht. In een der groote benedenkamers van het ridderhuis werd gemeten,

geknipt, genaaid, geborduurd Daar stonden lange tafels met

rollen laken en kamerdoek, met kostbare zijden en fluweelen stoffen. Roswitha moest aan het hof komen in een kleeding die haar en haar verwanten en vrienden tot eer zou zijn.

Eerst had jonkvrouw Gonda een rijk brokaat kleed, dat al door Roswitha's grootmoeder en moeder was gedragen, te voorschijn gehaald en het Roswitha aangetrokken, doch bij nader inzien weer geborgen in de geheimvolle diepten der kwistig gebeeldhouwde kist, waar het al zooveel jaren had gerust.

Sluiten