Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Graaf Bernsdorff en ridder Dagobert waren met vele der toegestroomde edelen den Keizer tegemoet gereden. Ehrenfried met hen.

Er was maar één onderwerp van gesprek: de Keizer en de feesten die volgen zouden.

Aan het lagereinde der straat werd het weldra nog woeliger.

Hoefgetrappel en luid juichen werd gehoord. Twee trompetblazers, de met kleine kleurige vaandels versierde trompetten in de hand, galoppeerden de straat op; tuba's en bazuinen schalden ; de klokken der torens bambeiden; de herauten, die den keizerlijken stoet voorafgingen, sloegen den hoek om....

Roswitha nam het korfje met groen en bloemen dat zij op schoot had, steviger in de hand.

Geen bloemen strooien voordat de Keizer vlak bij is," vermaande gravin Bernsdorff, terwijl zij-zelve haar voorraad nakeek en de mooiste bloemen uitkoos.

Alle vrouwen en jonkvrouwen hadden bloemen en groen om te strooien.

Het gegons in de straat zwol en klankte op tot een machtigen vloed van geluid, één bruisende deining. Eer Roswitha er op bedacht was, was de straat vol van pluimengewuif en flitsende helmen, van golvende paardenlijven en schitterende schabrakken, van opkijkende hoofden en dringende schouders, kleurige banieren en vaandels hoog op als vuurtongen boven het bewegelijke diep van de straat.

— De Keizer!.... Daar, op den zwarte. Alléén vóór de breede rij," fluisterde de gravin.

„Hoog de Keizer! Hoog! Hoog!" galmde het van alle zijden.

Roswitha riep mee.

Of dat gepast was, wist zij niet, maar het gelaat van den Keizer was zooals Wolf dat weergegeven had: ernstig, verstandig en zoo vriendelijk, of hij allen wilde helpen. Uit zijn oogen spraken goedheid en kracht: heerschersoogen die het G r o o t e zagen en wenschten.

Sluiten