Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XII.

Keizer Frederik II hield hof.

Naast de feesthal, waar het banket de genoodigden wachtte, aan het einde der groote zaal was de troonhemel opgericht.

Daaronder de Keizer, zijn hooge gestalte nog hooger en indrukwekkender door kroon en met hermelijn omzetten en gevoerden purperen mantel, die lang afhing van de treden van den troon.

Roswitha, in haar zachtrose galakleed aan den arm van haar vader, volgde in de langzaam voortschreidende rijen tot haar beurt zou komen om voorgesteld te worden.

Van de grootsche hooggewelfde troonzaal in schittering van feestkleed en versiering zag zij niets; niets ook van het evenzeer schitterend beweeg rondom van tallooze edelen en ridders met hun vrouwen en jonkvrouwen. Alleen den man dien haar vader vereerde, den Keizer met zijn vastberaden en toch zoo vriendelijk gelaat, alleen het Groote dat van hem uitging, zijn hoog denken en begrijpen: den Heerscher die zich keerde tot zijn volk dat tot hem opzag, en op hem wachtte om gelukkig te worden.

Zoolang zij zich kon herinneren, had zij van hem gehoord.

Hij zou met sterke hand regeeren en het groote Duitsche rijk, het machtigste rijk van de Christenheid, tot eendracht en bloei brengen.

Den Held die alles zou vervullen, zou zij naderen.

Bleek en ernstig, een en al aandacht en ontzag, ongevoelig voor de verwonderde of bewonderende blikken, ging zij.

Vóór haar en haar vader graaf en gravin Bernsdorff.

Nu sprak de keizer dezen toe

Nu kwamen zij aan de beurt.

— Een liefelijke bloem uit de Valkenburchtsche gaarde,"

Sluiten