Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeide de warme klankrijke stem van den Keizer, nadat ridder Dagobert zijn dochter had voorgesteld.

Roswitha rees op uit hare diepe neiging en staarde den Keizer aan.

Wat hij had gezegd was over haar heengegaan nu het niet betrof waarmee haar hart vervuld was. Wat haar vervulde, trilde op haar halfgeopende lippen, drong uit haar oogen. Het was een opgaan daarin, een zich-zelf en alles om haar heen vergeten, zoo echt, zoo spontaan en zoo natuurlijk dat het den Keizer trof en hij ridder Dagobert terughield toen deze zijn dochter wilde verder voeren om plaats te maken voor anderen, en hij zich tot haar wendde

— Mocht uw Majesteit bereiken wat in Haar leeft," zeide Roswitha zacht en plechtig, alsof het welslagen van 's Keizers plannen afhing van het uitspreken van haar zegenbede.

Haastig trok ridder Dagobert haar voort.

Maar de Keizer had niet geglimlacht.

Ernstig en warm had hij haar ernstigen blik beantwoord.

Die blik bleef Roswitha bij.

Zoolang er menschen waren als haar vader en de Keizer, was de wereld schoon en heerlijk.

In een roes van gewaarwordingen en gedachten zat zij aan bij het banket, tusschen haar vader en een jongen ridder, hun door den hen naar hunne plaatsen geleidenden opperhofmeester voorgesteld.

Zij nam weinig deel aan het gesprek, poogde te luisteren naar wat door haar tafelgeburen werd gesproken, maar haar gedachten dwaalden telkens af naar den Keizer. Haar vader legde zijn hand op de hare.

— Roswitha, ridder Ruprecht van Herrenstein heeft u al tweemaal toegesproken zonder antwoord te bekomen."

Sluiten