Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nieuw gedrang. Ditmaal naar het raadhuis. Het bekken van den marktroeper had geklonken.

Naast hem, vóór de pui van het raadhuis, had een heraut post gevat, en verkondigde met luide stem: dat den goeden luiden der keurbisschoppelijke stad Trier werd aangezegd zich te begeven naar hunne woningen en die gesloten te houden tot nader bevel. De ridder, die gisteren gevankelijk was binnengebracht, was ontsnapt. Op poene van een goudgulden en de ongenade van den keurbisschop werd verboden hem hulp of onderkomst te verschaffen en bevolen hem na te sporen en uit te leveren aan de overheid.

In breede deining drong de menigte weg. Alleen de verkoopers en kooplustigen van buiten gekomen, bleven achter.

Het uitzoeken en koopen had nu vlugger van de hand kunnen gaan, maar Roswitha was verstrooid en afgetrokken. Telkens moest de gravin helpend optreden. Roswitha betastte en bekeek werktuigelijk wat voor haar werd uitgestald en opgehouden. Tusschen rollen laken en messen en knipbeurzen en linten in, las zij wat de heraut straks nadrukkelijk en dreigend

had verkondigd: op poene en ongenade van den

keurbisschop nasporing en uitlevering bevolen. . .

Ongenade uitlevering.... Zij hoorde en zag

niets meer.

Gravin Bernsdorff herinnerde haar vriendelijk en geduldig aan alles wat zij dien ochtend zoo opgewekt en volijverig had gezegd te willen koopen. Zij kon er haar gedachten niet bijhouden.

De Bernsdorffer dienaren waren al tweemaal, dragende wat zij dragen konden, naar den „Zwarten Adelaar" gezonden. Den laatsten keer waren zij telkens afdeelingen gewapenden tegen gekomen. Verder niemand meer. De stad leek uitgestorven. Alle deuren en vensters gesloten. Het keurbisschoppelijk bevel werd stipt opgevolgd.

— De gevangen ridder zal voorlang de vrije lucht gezocht en gevonden hebben," meende de gravin, half tot ridder Dago-

Sluiten