Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bert en half tot haar neef. „Jammer van de mooie vangst! Zóó gevangen en zóó weer ontsnapt.... Op zulk een wijze vordert de goede zaak van onzen Keizer niet."

Roswitha vermeed het haar vader aan te kijken.

Hoe zou het hem te moede zijn! Wat moest er in hem omgaan! Ehrenfried was vol verontwaardiging.

— Hij moet helpers in Trier gehad hebben, 's Keizers

tegenstanders schuilen overal Een veeg teeken! Het geluk is

met 's Keizer tegenstanders. Nu deze ridder nagejaagd, in

de val en weg! Vóór hem graaf Eberstein Die ook weer

opduikt, na langen tijd niets van zich te hebben laten hooren. De prijs op zijn hoofd gesteld is van geen beteekenis meer, veilig en krachtig als hij nu is te midden van vrienden en aanhangers. Een voorbeeld van weergaloos geluk is die laatste."

— De vermetelste onder de vermetelen. Zijn naam brengt mij verre, verre dagen in herinnering," viel de gravin in. „Goed dat zijn vrouw het verschrikkelijke niet beleefd heeft. Arme Godelieve Eberstein!"

Het was Roswitha of markt met venters, kooplustigen en huizen op eens om haar ronddraaiden en op haar aandrongen.

Vergiste zij zich: had niet Ehrenfried opgekeken, een glimp van verrassing in de oogen bij dien „in Duitschland zoo ongewonen naam" van Godelieve? Had hij haar niet aangekeken, één ondeelbaar oogenblik, om daarna ijlings en met veel opmerkzaamheid een kleine groep naderende gewapenden op te nemen en tot zich te wenken ?

— Nog niets van den uitgebroken ridder?" hoorde Roswitha hem vragen.

Zij waardeerde en begreep het doel van dit kleine tusschenspel om de aandacht van haar ontroering af te leiden.

De gravin stond stil, luisterend naar het antwoord dat ontkennend luidde.

Roswitha waagde het nu toch even om haar vader aan te kijken

Sluiten