Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XVI.

De stille kloosterhof leek eenzaam, al bewogen smalle zwarte gestalten, smal en nietig tusschen de stammen der hooge bladerlooze boomen. Zij schenen meer te glijden dan te gaan over den glimmenden vochtigen grond.

Godelieve, voor het raam van haar cel, keek er naar en zuchtte onwillekeurig.

De eerste dagen in het klooster waren geweest één storelooze rust, een ontspanning van al wat tot het uiterste in haar gespannen was geweest.

Die sterke, alles naar buiten werende muren; het moederlijk meeleven van de abdis voor wie zij haar zorgen had uitgestort; de stille kalme kloosterzusters

Maar kort daarop was de terugslag gevolgd.

De kloostermuren waren doorzichtig geworden, hadden haar blik naar buiten niet langer afgeweerd.

Roswitha moest nu wel Trier verlaten hebben, op haar terugweg zijn, den Valkenburcht naderen, bezig zijn met haar, met hun weerzien.

En haar niet vinden!

— Wees heer van uw wil en knecht van uw geweten", had vader Hubertus haar voorgelezen uit zijn geliefden Chrysostomos.

Alleen dat laatste was waar.

Wanneer zou het eerste waar worden?

Haar wil was veel meer een onrustige vogel, gereed om weg te vliegen waarheen hij wilde.

De Valkenburcht lag slechts op een zevental uren rijdens van het klooster.

Zoo dichtbij, en toch zoo ver af!

De laatste dagen daar waren ééne worsteling geweest.

Sluiten