Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XVII.

De tocht ging langzaam. Vader Hubertus' muildier draafde lustig genoeg, maar de goede eerwaarde was het lang draven achtereen ontwend. Er moest dikwijls gestopt worden.

De schemering was bijna nacht toen zij het dorp dicht bij den Valkenburcht door reden. Trots het late uur was het er tarfielijk luidruchtig. Luide woorden en luider slagen. De dorpelingen schoolden om twee vechtenden heen, die in de herberg ruzie hadden gekregen en, door den waard naar buiten gedreven, nu voor de deur op elkaar met de ledige kannen toesloegen.

Keffende honden en kakelende kippen vergrootten het rumoer.

— Doorrijden," vermaande vader Hubertus, maar Roswitha gewend om haar vader bij dergelijke geschillen dadelijk en streng te zien optreden om erger te voorkomen, en die in een der vechtenden Go ver t een Valkenburchtsch wapenknecht had herkend, reeds eenige malen gestraft voor een dergelijk vergrijp dat bloedige gevolgen had gehad, had haar paard al ingehouden. Zij keek rond naar den meier.

Meier noch koddebeier waren te zien, vermoedelijk ter rust, of wel omdat zij het geval hun inmenging niet waard achtten.

— Roep den meier," gelastte zij een der hofhoorigen die met kwalijk verborgen leedvermaak toekeek.

Op dit oogenblik wierp de wapenknecht zijn kan zoover die vliegen wilde en omvatte zijn tegenpartij met beide armen.

Zwaar ging beider ademhaling!

Het volk stond er lachend en joelend bij en verdrong elkaar om beter toe te kijken. Niemand stak een hand uit om de vechtenden te scheiden. Ze beschouwden 't als een onverwachte en kostelijke afleiding. De wapenknecht was wel gezien in het dorp en zijn tegenpartij, een der meest welgestelde hoevenaars, minder.

Roswitha. 8

Sluiten