Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Gods vrede, Gods vrede!" riep vader Hubertus, zich oprichtend in zijn stijgbeugels.

Maar zijn roep ging over de hoofden heen. Te midden der algemeene spanning en opgewondenheid en de vallende duisternis was de nadering der ruiters ter nauwernood opgemerkt.

Een vrouw rende aan en poogde door de omstanders te breken.

— Bernard!" riep zij, „Bernard!"

Roswitha kende haar: de vrouw van den vechtenden hoevenaar.

— Stijg af en er op in," gebood Roswitha Wolf en Hendrik met een gebaar dat haar vader haar niet zou verbeterd hebben.

Hendrik sprong van zijn paard als een pijl uit den boog. Een kolfje naar zijn hand! Hij had met evenveel spanning als de overigen den twist gevolgd en een dergelijk bevel verwacht.

Wolf was wat langzamer bij het afstijgen.

Het volk morde en verzette zich.

— Laat ze! De kansen staan gelijk! We mogen

ook wel een pretje hebben De hoevenaar kan tegen een

stoot! " snauwde het Hendrik tegen, die links en'rechts de

onwilligen van zich afduwde en op zijn doel afging.

— Bernard, Bernard," gilde de vrouw, want een doffe smak bewees dat de worstelaars op den grond gerold waren en zij kon niet zien wie onder lag.

— Gods vrede, Gods vrede," galmde de geestelijke, het oog op Roswitha en daarin: „heb ik niet gewaarschuwd; is dit een plaats voor u?"

Roswitha had Freia omgewend: de meier kwam aan, haastig, zijn muts in de hand. Achter hem zijn twee dienaren.

— Mij dunkt dat hier je plaats is," zeide zij scherp, met een blik op de saamgeschoolden.

Stapvoets leidde zij haar paard de hoogte op naar den Valkenburcht. Vader Hubertus volgde. Wolf en Hendrik bleven

Sluiten