Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Godelieve was toen zoo stil, zoo vreemd-rustig, zoo gelaten geweest. Al het jonge vooruitdenkende en vooruitstrevende in haar dood.

Kom vooreerst niet, had zij gezegd. „Het zal gemakkelijker zijn om te wennen."

Onuitsprekelijk weemoedig was dat voor Roswitha geweest.

Bij het afscheid had zij Godelieve lang en hartstochtelijk omhelsd en vastgehouden, of zij haar iets van haar eigen rijk warm leven kon mede deelen.

Op den Valkenburcht waren er van tijd tot tijd geruchten doorgedrongen dat graaf Eberstein al meer en meer de misnoegde edelen die 's Keizers hervormingen tegen werkten, om zich vereenigde. Dat zijn aanhang steeds grooter en hij-zelf vermeteler en stouter werd. Zouden die geruchten ook in het stille klooster gehoord en tot Godelieve zijn gekomen, en was dat de reden geweest van haar gelatenheid? Roswitha had het niet durven vragen.

De lucht hield niet wat hij had beloofd. De wind was omgeschoten en had de zware dikke wolken van den ochtend teruggedreven.

Nu was het windstil geworden.

Roswitha had een hoogte beklommem en stond er, de hand op Thors kop. Beiden keken uit.

De lucht was zoo heerlijk, zoo levenwekkend!

O, als Godelieve met haar had kunnen zijn....

Nergens een geluid van menschen. Geen beweging in de bosschen. Alleen het vroolijke ruischen der beken in de diepte.

Wat sneeuw zal ons niet deren, Thor. Vooruit," zei zii halfluid.

Er begonnen al enkele vlokken te vallen, niet bemerkt door Roswitha, die nu aan haar plannen voor Godelieves toekomst was: een samenspreking tusschen vader Hubertus en Godelieves vader; verzoening met den Keizer; Godelieves terugkomst op den Valkenburcht om er te blijven, zoolang, zóólang tot de

Sluiten