Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den mannen, uitgekozen voor de bezetting van den burcht werd bevolen reeds den volgenden ochtend daar te komen om dagelijks geoefend te worden.

Vee en paarden werden geteld om te berekenen hoeveel beschikbare ruimte op den burcht zou noodig zijn om ze in tijd van nood onder te brengen. De inhoud van zolders en schuren werd nagezien, en alle voorraad opgekocht binnen weinig dagen te leveren.

Ridder Dagobert zou de geoefendsten onder de wapenknechts van den burcht meenemen: tien wel uitgeruste en weibewapende mannen, Herman aan hun hoofd, allen op uitgelezen paarden, bestand tegen vermoeienis en ontbering.

De korte winterdagen volgden elkaar snel op. De avond was daar éér men er aan dacht. Alle handen hadden werk te over.

Roswitha was overal. Zij zag toe dat haar vaders bevelen stipt werden gevolgd.

Was het een droom waarin zij leefde? Zij kon niet vooruit denken. Evenals de anderen ging zij op in de bijna koortsachtige bedrijvigheid.

De strijd, het besef van naderend gevaar, zat in de lucht, werkte in aller hoofd.

Alleen ridder Dagobert, jonkvrouw Gonda, vader Hubertus en Wolf schenen rustig.

Berichten van buiten bereikten den Valkenburcht niet.

Eens kwam een bode van den Heer van Hohenberg.

Hij meldde dat de ridder en zijn zoon Carel de oproeping van den Keizer binnen kort zouden volgen. Eberhard was al bij den Landgraaf van Hessen.

— Nu nog weinige uren en dan waarheen mijn plicht mij dringt," zeide ridder Dagobert tot Roswitha.

Vader en dochter waren alleen. De ochtend van den volgenden dag was voor de afreis bepaald.

— Ik weet hoe mijn kloeke moedige Roswitha liefst zou meegaan en deelen in alles wat mij wacht. Kloekheid en moed

Sluiten