Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In den kouden mistigen Decembermorgen trok de kleine stoet de poort uit den volgenden dag.

Roswitha, begeleid door Wolf reed een eind mee. Zoo God wil, zien wij elkaar in hoopvoller omstandigheden weer," zeide ridder Dagobert en staarde Roswitha in het bleek en ontroerd gelaat. Vaarwel, mijn trouwe Wolf. Ik weet wien ik achter laat bij wie de liefsten zijn.

Een handdruk, een lange blik en de stoet ging verder. Roswitha hield haar paard in, dat mee wilde met zijn makkers, en tuurde haar vader na, onbewust van de tranen die langs

haar wangen gleden.

Wold keek ook lang tot — zijn aandacht werd afgeleid. Terzij van den weg, in wat kreupelhout, een honderdtal

passen verder bewoog iets.

Roswitha zag hem potseling zijn paard aanzetten en daarop

losrennen.

Wat daar had bewogen, rende oók, en de steilte af waar Wolf te paard niet zoo gauw kon volgen: een man.

Was dat Govert?" vroeg Roswitha, toen Wolf, van zijn

vergeefsche vervolging terugkwam.

Dat was Govert," bevestigde Wolf, de weinige

woorden zóó langzaam en zwaar uitstootende of die als lood

op zijn tong lagen.

En daarbij balde hij de hand als had hij iets gegrepen, dat

hij wilde vermorzelen.

Het was leeg en stil op den Valkenburcht toen zij en Wolf

er terug keerden.

Allen waren onder indruk van het afscheid.

Gelukkig dat er veel te doen overbleef.

Sluiten