Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar nooit in den winter en bij zulk slecht weer als

we nu doorloopend hebben," antwoordde Wolf.

Dienzelfden ochtend had jonkvrouw Hohenberg hem dezelfde vraag gedaan en hetzelfde antwoord gekregen.

Het was Wolf zelf ook lang voorgekomen.

Hij had op eigen hand Hendrik al den vorigen dag naar de dichtst bij gelegen stad gezonden om te weten te komen of men daar ook berichten of geruchten vernomen had van een verder-

trekken der keizerlijke troepen.

Hendrik had slechts van heel vage geruchten gehoord. De Keizer en zijn aangroeiend leger waren nog in de vlakte rondom Frankfort. Schermutselingen waren voorgekomen in gedeelten van Palz en Wurtemberg, niet van beteekenis: edelen in veete, tegen elkaar opgetrokken zooals dat altijd gebeurde.

Jonkvrouw Gonda was onrustig geworden.

Meer dan vier weken waren sedert haar zwagers vertrek voorbijgegaan. Zij had om kondschap gezonden naar stad en naar slot Hohenberg. Op Hohenberg had men bericht ontvangen van de goede aankomst van haar broeder en zoon bij het leger van den Keizer, vertrokken ongeveer vier dagen vóór ridder

Dagobert.

Eindelijk — het was de dertigste dag na de afreize

weerklonk de hoorn van de torenwacht.

Met een kreet van vreugde stormde Roswitha de torentrap op. Zij wist eerst nu hoe angstig en gejaagd zij was geweest de laatste dagen bij het hooren van dat welkome sein.

Gontram had de wacht. Roswitha zag hem ingespannen over de borstwering turen, den weg af.

— Eindelijk een bode!" riep zij.

ja, een moede bode," herhaalde Gontram, „hij komt

niet veel vooruit."

De bode was op dit oogenblik achter de rotsen. Het duurde

lang voordat hij weer in 't gezicht was. Zijn paard was even moede als hij.

Sluiten