Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Was het nog maar twee dagen geleden dat graaf Auerspergs brief was gekomen ? vroeg Roswitha zich af.

Zij had zooveel gedacht en geleden dat het haar voorkwam of daar weken tusschen lagen.

Het iwas in den laten namiddag. De bode zat nu bij het vuur aan het lagereind der zaal.

De snelle tocht had hem toch geweldig aangegrepen.

Jonkvrouw Gonda en Wolf hadden hem ondervraagd, te vroeg naar het scheen, want zijn antwoorden waren zéér kort geweest. De afmatting had er nog doorheen geklonken.

„Er was gevochten aan den Rijn," had hij gezegd.

Langs den Rijn zou haar vader trekken

Roswitha had even goed aan een overval, een hinderlaag gedacht als jonkvrouw Gonda. Beiden hadden voor elkander verzwegen wat zij vreesden, om elkaar te sparen.

Noch vader Hubertus noch Wolf hadden haar troost of licht kunnen geven.

Wolf had haar zelfs vermeden in den laatst en tijd. Dat was een veeg teeken.

Was de bode nu niet veel beter en sterk genoeg om verder ondervraagd te worden?

Roswitha kon het niet langer uithouden, kwam op hem af en zette zich tegenover hem.

— Het is een lange moeilijke tocht geweest. Ben-je weer beter?" begon zij.

De man keek haar lang en met groote belangstelling aan. Hij had een schrander, goedig gezicht; rustige oogen, die veel in zich opnemen. Een breed lidteeken van lang geheelden houw liep over zijn linkerwang.

— De moeilijkste tocht van mijn leven. Maar jonker Heribald, de graaf," verbeterde hij, „hing er aan met heel zijn ziel. Hij wist wel aan wien hij dien opdroeg! Niemand zou den

Sluiten