Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Wolf, talm niet langer," gebood Roswitha, bevend van ongeduld en ontroering.

Wolf daalde de trap af, maar voordat hij de poort ontsloot, zond hij zes man naar verschillende punten op den uitkijk, en eerst nadat hij verzekerd was dat niets verdachts in den omtrek te bespeuren viel, daalde de valbrug en ging de kleine deur in de poort open.

— Woorden zijn wind en men kan niet te voorzichtig zijn," mompelde hij. „'t Is meer gezien dat op 'toogenblik als men waande één man binnen te laten, de valbrug vermeesterd en de poort bestormd werd."

De bode reed de poortgang binnen en klom met moeite uit den zadel. Bij die beweging ontviel hem zijn mantel. Wat Roswitha voor een mars had aangezien, was een hooge rug. De man was kort en ineengedrongen, niet veel grooter dan een knaap van twaalf jaar, met dunne beenen en lange dunne armen. In het te groote hoofd fonkelden een paar doordringende oogen. Hij knikte Wolf gemeenzaam toe, boog voor Roswitha en verlangde daarna met verheffing van stem toegelaten te worden tot ridder Dagobert van den Valkenburcht.

Een oogenblik van stilte volgde.

— Tot ridder Dagobert van den Valkenburcht," herhaalde Wolf en trad op hem toe of hij hem allen verderen toegang wilde versperren.

— Ik zoek hem waar hij op dit oogenblik niet moest zijn," vervolgde de zonderlinge bode met iets tartends in toon en houding.

— En waar hij niet is", vulde Roswitha aan met hoogheid.

Tot zelfs haar lippen leken wit. Maar zij had zich opgericht. Zij staarde den spreker van 't hoofd tot de voeten aan lang en strak.

io R

Sluiten