Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXI.

Roswitha richtte zich op.

De tijdelijke verdooving was voorbij.

De stem van den bode was onder het gefluisterd gesprek met jonkvrouw Gonda gaandeweg luider geworden.

Zij had de wreede woorden gedeeltelijk gehoord, gedeeltelijk geraden, en begrepen.

Zij was door zwijgende dreigende wouden gegaan, door zwarte kloven, langs diepe afgronden en spiedende rotsburchten. Door een wereld vol loerende belagers. Haar vader daarin met zijn begeleiders. Van alle kanten verraad en gevaar. Hij en zijn kleine stoet tegen overmachtigen vijand. Opgeheven wapens had zij op hem zien neerdalen, had hem overmand gezien, gewond, gebonden, weggevoerd, gedood!

O, dat laatste, dat allerverschrikkelijkste niet!!

Zij wilde er niet aan denken, schoof het huiverend weg en klampte zich vast aan de mogelijkheid dat hij nog leefde.

Zij vroeg zich af waar hij werd gevangen gehouden. En hoe? Hoeveel dagen waren voorbijgegaan sedert hij werd overvallen ? Hoeveel dagen dat hij gemarteld werd door de gedachten die haar nu martelden:

Tegengehouden op weg naar den Keizer, zijn trouw verdacht.

Neen, dat zou niemand gelooven!!

„Het lage valt dik w ij ls het hooge aan. Afgunst is een verachtelijke vij and. Toch een die moet worden afgeslagen.... Twee-entwintig edelen die waren afgevallen; die de oproeping niet hadden gehoorzaamd.

Haar vader genoemd onder de niet verschenenen. Uitgegaan met tien welgekozen en weluitgeruste ruiters. En geen enkele ontkomen om te melden wat gebeurd was.

Sluiten