Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gestalte van den geestelijke, en den met hem tegelijk binnengekomen forschen Wolf; en toch keek zij telkens naar het beenig gelaat en stil voor zich uitstarende oogen met een gevoel dat van hem hulp en uitkomst zou uitgaan. De scherpte uit zijn blik was weg. Daar lag weemoed in, meegevoel met het leed dat hij om zich heen zag groeien en verwonden.

— Onze eenige hoop ligt in het winnen van de hulp van den Keizer om ridder Dagobertte doenopsporen.Met ridder Dagoberts bevrijding vervalt elke aantijging," zeide vader Hubertus.

— Ridder Dagoberts bevrijding zal evenzeer de zaak van den Keizer als onze zaak ten goede komen," vervolgde jonkvrouw Gonda tot den nar. „De Valkenburcht mag niet van manschappen ontbloot worden en heeft ook niet de krachten, vereischt om ridder Dagobert op te sporen en te bevrijden. Gij kent den Keizer van nabij. Wat raadt gij aan?

— Het mogelijke te beproeven al is de tijd ongunstig. De geruchten omtrent zijn zoon drukken Zijn Majesteit, en het zal een moeielijke en uiterst teedere taak zijn om bij hem de trouw van den leenman te verdedigen, wellicht op het oogenblik dat hij zekerheid heeft verkregen dat de zoon hem de trouw brak. Vooral nu de eerste verhinderd schijnt van zijn trouw te doen blijken.

— Wie zal tot den Keizer voor ridder Dagobert spreken," vroeg Jonkvrouw Gonda, den blik op hem en daarin: „wie beter dan gij ?"

— Hij, die door den Heer daartoe geroepen en wien de kracht tot spreken gegeven zal worden, mijne dochter," antwoordde de priester. „De Heer neigt de harten der menschen."

Hij liet den rozenkrans door de vingers glijden en boog het hoofd.

Jonkvrouw Gonda kreeg den indruk of hij zich de geroepene waande

Vader Hubertus, de kinderlijk eenvoudige en wèlmeenende, maar die de eene onhandigheid na de andere beging!

Sluiten