Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waken; het andere om zijn meester op te sporen. En ware ridder Dagobert niet te vinden — wat alleen zou kunnen zijn... als hij dood was — dan voor hem te getuigen bij den Keizer en al zijn edelen, waaronder er niet één, geen enkele met ridder Dagobert vergeleken kon worden!

Laat in den avond, toen alles sliep, duwde vader Hubertus zijn vetkaars in een plompen hoornen lantaarn, opende zijn deur, luisterde, sloop de gang in en de trap af.

Voor de wapenzaal hield hij stil. Als een dief sloop hij naar binnen.

Toen hij er na een half uur uitkwam, keerde hij nog behoedzamer dan straks terug, een pak onder zijn pij.

Hij liet het haast vallen, toen hij van de trap op de bovengang kwam.

Daar liep iemand voor hem uit, zoo zacht en geluidloos als een schaduw: Roswitha.

Zij kwam uit de richting van zijn kamer.

Had hij zijn deur zoo wijd open gelaten? Was zij daar geweest ?

Een oogenblik later werd daar zacht tegen geklopt.

Roswitha!

Hij trad haastig tusschen haar en het op tafel uitgespreide...

Maar Roswitha had al gezien: een maliënkolder, lenig en licht, maar sterk, juist iets om gemakkelijk onder een ruime pij gedragen te worden en een lange dolk.

Zij viel hem om den hals.

— Lieve vader Hubertus," fluisterde zij; „ik ga ook."

Zij greep zijn hand, en drukte die, en keek hem aan.

Sluiten