Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gereden. Freia en ros en muildier moesten vleugels gehad hebben. Het duurde een heele poos voordat zij hen achterhaalden.

Nog een vierde was bij hen: vader Hubertus, die op zijn muildier draafde of hij zijn levenlang in den zadel had gezeten. Noch hij, noch jonkvrouw Roswitha schenen voorloopig aan terugkeeren te denken.

Zoo draafden de gewapenden geduldig mee, totdat de afstand van den Valkenburcht bedenkelijk groot werd, en Hendrik zijn paard aanzette en het waagde de jonkvrouw te herinneren dat men op den burcht ongerust zou worden.

— Dat heb ik voorzien en daarom geen geleide gevraagd," antwoordde Roswitha. „Keer om en rijd niet te haastig, Hendrik. Ik zal op geschikten tijd terugkomen."

Dat was een lastig geval voor Hendrik. Hij waagde een tweede poging. Die werd afgeslagen door den priester.

—- De jonkvrouw rijdt niet alleen, en ik breng haar veilig weêr."

— Genoeg, Hendrik," beval Roswitha op een toon en met een blik waartegen hij niet bestand was. „Vader Hubertus en ik willen het zoo. Je hebt je plicht gedaan. Nu omgekeerd en terug naar den Valkenburcht."

Zij wendde haar paard om en bleef het zestal aanstaren totdat zij gehoorzaamden en terug draafden.

Achter Hendrik en zijn makkers kletterde en klopte het met al sneller hoefslag op den harden grond. Al verder en flauwer al verder van den Valkenburcht.

Hendrik keek nog eens om.

Jonkvrouw Roswitha, priester, nar en bode draafden of zij de wereld wilden uitrijden.

— Niet te haastig," had de jonkvrouw bevolen. Hendrik dacht aan den welkomstgroet waarmee zijn vader hem zou opwachten.

Hij wenschte den weg tweemaal zoolang als hij was.

Sluiten