Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Terug zonder de Jonkvrouw!" riep zijn vader al van verre van de omgang boven de torenpoort.

Wolf had er op den uitkijk gestaan in steeds aangroeiende onrust. Hij vertrouwde zijn oogen niet!

De poort sprong open, de valbrug bonsde neer.

— Heet dat je plicht doen, rakker!" beet hij Hendrik toe, pakte hem bij de schouders en lichtte hem van het paard of hij een kleine jongen was. „Waar is de jonkvrouw?

Eerst bij het zien hoe ontdaan Hendrik was, werd zijn toon minder heftig en liet hij hem vertellen.

— Daar viel niets tegen te doen, vader," eindigde Hendrik, „vooral daar de eerwaarde zich ook daarin mengde. Ik kon toch geen geweld gebruiken en de jonkvrouw als een gevangene meevoeren."

Wolf antwoordde niet.

De poortgang was vol nieuwsgierigen. Meewarige of ontstelde gezichten. Hij joeg ze uiteen, joeg ze terug naar hun bezigheden. Zelf ging hij met zwaren tred de trap op naar jonkvrouw Gonda, naar haar kamer.

Zij begreep bij den eersten blik, het eerste woord.

— Ik had haar niet uit het oog moeten laten. Geen oogenblik! Ik had moeten voorzien wat gebeurd is. Zij, zoo edelmoedig en onstuimig zoo jong!" klaagde zij.

— Een kind dat naar haar vader aardt," zei Wolf met schorre stem en op een toon of daarmee alles gezegd was.

Jonkvrouw Gonda antwoordde niet. Zij volgde Roswitha op haar weg door het donkere wijde onbekende met al zijn gevaren en bezwaren.

— Ze is in goed gezelschap," liet Wolf zich andermaal

Roswitha. r r

Sluiten