Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijweg," beval de kleine, die wel het hoofd van den kleinen troep scheen.

En weer ging het voorwaarts, twintig minuten lang, tot men bij den dwarsweg gekomen, den heirweg verliet.

Paarden en ruiters herademden. Het geweld van storm en stroom klonk gedempt en de steile rots hield den regen gedeeltelijk van hen af.

Het was intusschen zoo donker geworden dat men op geen vijftien passen van zich af kon zien. De kleine ruiter op zijn muildier beval halt te houden. Hij sloeg vuur, ontstak de kaars in den kleinen lantaarn die aan zijn zadelknop bengelde, en lichtte in 't rond. Wat verderop liep de weg, die niet veel meer was dan een pad tusschen meterhooge struiken vlak onder een ver vooruit neerhellenden rotswand, die daar een reusachtig natuurlijk dak vormde, weinige meters diep en vele meters lang.

— Wij kunnen van nacht op geen beter onderkomen hopen," zeide hij tot den jongen ruiter achter hem, „dan die holte in de rots." En hij stuurde zijn muildier daarheen. „Ik hoop niet dat Uwe Edelheid te moe is."

— Ik moest het minder zijn dan een van u drieën, want ik ben de jongste en heb het beste paard," klonk het met een matte poging tot scherts.

— Hola, niet uit den zadel," riep de ander bij een beweging van den jongere om van zijn paard te springen. „Droge voeten is een kostelijke zaak en niet zoo licht te herwinnen in onze omstandigheden, wanneer ze eenmaal nat zijn geworden."

Hij gaf den anderen last hunne paarden onder het rotsdak te sturen, lichtte bij om den grond te onderzoeken en liet zich uit den zadel glijden. Niet vóórdat de vermoeide dieren saamgekoppeld, van tuig en zadels ontdaan en de onder de zadels meegenomen dekens tegen de rots op den grond uitgespreid waren, kreeg de jongste van het gezelschap vergunning om af te stijgen.

De forsche ruiter die het muildier in de achterhoede bereed,

Sluiten