Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichtte de tengere gestalte uit den zadel en liet die op een der uitgespreide dekens neer.

— Vader Hubertus bederft mij," zei Roswitha, haar natte kap van 't hoofd schuddend, en keek hem dankbaar aan.

Allen waren te moe om veel te spreken. Achter de paarden en muildieren zonken ze neer. De proviandzak werd losgehaakt; het brood verdeeld onder mensch en dier; de zware natte mantels werden uitgeschud. Allen wisten dat de nachtrust kort zou zijn en zij nog vóór het eind van den nacht zouden verder gaan. Zij rolden zich in hun dekens en mantels, het hoofd op hunne zadels en sliepen in.

Het was de vierde nacht na hun vertrek, de eerste dien zij onder vrijen hemel doorbrachten. Driemaal was Ivader Hubertus aan de spits gereden en had herberg gevraagd en verkregen voor zich, „leerling en leekebroeders" in burcht of stad.

Moeheid was oorzaak geweest dat hij dan weinig had gesproken, wat hem door Jodocus zeer was aanbevolen, en dat hij na het verkregen maal spoedig met zijn gezellen het hun gespreide leger had opgezocht.

Jodocus had ook niet veel gesproken, — om te beter te kunnen opmerken. Met Roswitha was hij het nimmer rustende en steeds vorschende element in den tocht. Die twee verstonden elkander zonder veel woorden. Een groot vertrouwen in zijn scherpzinnigheid, menschenkennis en goed hart was sterk in haar geworden.

Onder voorwendsel dat Roswitha „de kloosterleerling" zeer moe was, had hij haar altijd een rustig plekje onder de schouw weten te verschaffen, en had daar de spijzen gebracht wanneer de overigen aan de gemeenschappelijke tafel met de meestal luidruchtige dienaren aan het lager einde aanzaten.

Hij had zoovele kiesche opmerkzaamheden voor haar. Een vader kon niet voor een dochter bezorgder zijn.

Sluiten