Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXIII.

Zij moesten poortgeld betalen en naar naam, bedrijf en woonplaats werd gevraagd.

Vader Hubertus, die weer aan de spits reed en zijn naam en dien van het klooster waartoe hij behoorde opgaf, werd de kap van het hoofd geworpen. „Leekebroeder" Koert jonderging een zelfde behandeling. Toen de beurt aan Roswitha kwam, dreef Jodocus zijn muildier tusschen Freia en den hoofdman der wacht.

— Boodschappers aan den Keizer," riep hij, „en juist te laat om hem te bereiken."

Hij wierp zelf zijn kap naar achteren, liet zijn mantel zoover afglijden dat zijn mismaakte gestalte zichtbaar werd, en keerde zijn gelaat met komische wanhoop in 't rond, waarbij hem de mond haast tot de ooren reikte en de oogen louter wit lieten zien.

— Keizers nar, Keizers nar!" riepen er een paar, die uit wachtkamer en poortgang bij het paardengetrappel opdaagden.

Jodocus boog naar alle zijden.

— Keizers nar," herhaalde hij en zette een hooge borst, „maar zoo vermoeid dat zijn beenen onder hem tot palingen zijn geworden en hij het gezelschap, dat hem gelast werd te begeleiden, niet langer bijhouden kan. Hangt de „Blauwe Haan" nog uit bij Jochem Jochemszoon en zou daar plaats zijn voor man en paard van nacht? Vooruit, mijne maats," beval hij als was hem de vergunning daartoe reeds gegeven. „De Keizer hoog! en morgen weer met nieuwen moed op weg naar hem toe."

Hij dreef met stem en gebaar zijn drietal voor zich uit en reed de binnenbrug over en de nauwe straten in tot den „Blauwen Haan", waar hij met alle kracht, die zijn schrale stem hem veroorloofde, riep om Jochem den besten aller waarden.

Het duurde niet lang of deze en zijn vrouw verschenen

Sluiten