Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haastigen stap de straat af. Hij was in een wijden mantel gedoken, hield een slip daarvan tegen het gezicht als om zich tegen de kou te beschutten; de kaproen hing hem haast over de oogen. Maar toch herkende Roswitha Govert!

O, als Jodocus thuis was geweest om hem te volgen en te ondervragen! Vader Hubertus' hulp durfde zij niet inroepen. Z ij n ondervragen zou meer nadeel dan voordeel aanbrengen f

Zij berekende de kansen of zij Govert nog kon inhalen of te gemoet loopen. Zijn halve vermomming deed vermoeden dat hij zich niet op zijn gemak voelde, en reden had om zich te verbergen.

In haar hoofd rijpte een plan. Op straat durfde zij hem aan.

Zij was de trap al af en de straat op, sloeg een zijstraat in, die, naar zij meende op de hoofdstraat, door Govert gevolgd, moest uitkomen, en rende wat zij kon.

Zij zag hem op weinig passen voor zich uit.

Een oogenblik later deed zij een greep naar zijn mantel.

Met een gebaar en een half onderdrukten kreet van schrik, keerde hij zich om en stelde zich tot tegenweer.

Hij liet het mes weer in zijn zak glijden, toen hij zag, dat zijn vervolger een opgeschoten knaap was, en vergenoegde zich zijn mantel los te rukken.

Een tweede blik bracht een glimp van herkenning in zij n oogen.

Hij vatte Roswitha bij den arm en trok haar mee.

— De vervolgde wordt vervolger," zei hij dreigend.

— Ik ga waar gij gaat," antwoordde Roswitha stoutweg, „naar ridder Dagobert."

Hij Het in zijn verbazing haar arm los, om dien in het volgend oogenblik des te steviger te grijpen.

— Hoe kraait dat jongske, en weet niet wat het kraait,'" merkte hij schamper aan.

Roswitha antwoordde niet.

Zij liet zich meevoeren. Dat haar woorden indruk hadden gemaakt, gaf haar moed.

Sluiten