Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gaandeweg poogde zij haar arm los te wringen, maar Goverts hand was als een schroef. Dat hij haar als zijn prooi beschouwde werd haar duidelijk.

Zij lette goed op door welke straten zij gingen om later den weg naar den „Blauwen Haan" gemakkelijk terug te vinden.

Govert verspilde geen woord meer, maar stapte flink door; straat in en uit. Kennelijk op de poort toe, die zij gisteren waren binnen gereden.

Onder het loopen werkte zij haar plan verder uit. Dat Govert van het verblijf van haar vader afwist, scheen haar nu zeker; dat hij met de eene of andere boodschap in de stad, wellicht op verkenning was uitgeweest en alles zou vermijden wat aandacht kon trekken, ook.

De binnenbrug lag achter hen. En daar was de poort, wijd open op den middag, een paar van de wacht daarvoor op en neer.

Zij begreep dat zij verloren was als zij de poort uitging.

En nog niets van haar vader!

— Is het nog ver?" vroeg zij.

Govert lachte spottend

Het was hem aan te zien dat hij ook met de oplossing van een raadsel bezig was; namelijk: wie de knaap wel mocht zijn, die zoo uit de lucht was komen vallen.

— Ik zal je er brengen," antwoordde hij en wilde haar de poort intrekken.

— Maar niet als een gevangene. Laat mijn arm los."

Hij verhaastte zijn stap.

— Niet zooveel drukte," gebood hij op gedempten toon. „Anders komen we geen van beiden waar we zijn moeten."

— Laat mijn arm los," beval Roswitha luid, begrijpende dat hij allerminst hier onder het oog van de wacht geweld zou plegen.

„Meester Jodocus heeft mij verboden de stad te verlaten. Houdt den man die mij daartoe wil dwingen," riep zij de wacht toe.

Sluiten