Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Twee ridders met gesloten visier en zonder helmteeken en met blanke schilden, een talrijke troep gewapenden achter hen aan, waren op hem toegereden.

Ridder Dagoberts last om den weg te bezetten dien ze waren gekomen, kon al niet meer worden opgevolgd. Van alle kanten waren gewapenden op hen toegedrongen. Het was geen strijd geweest man tegen man maar één tegen tien. Vijf van de hunnen had Herman zien vallen. Het was hem voorgekomen dat men Ridder Dagobert meer zocht af te matten en te ontwapenen dan te dooden. „Geef u over," had men hem toegeroepen.

„Aan geen naamlooze bespringers," had ridder Dagobert geantwoord en „valk op voor den Keizer en het recht!" had zijn leus geschald.

De beide ridders waren weldra niet langer zijn eenige aanvallers geweest. Wel een zestal anderen waren aangereden en hadden een kring om hem gesloten.

Herman was zijn Heer bijgesprongen.... Op dat oogenblik was zijn paard neergestort. Een laaghartige schurk had de achterpezen doorgesneden. Hij zelf was door den val achterover geslingerd, de steilte af terzij van den weg.

Hij had zich trachten vast te klampen aan struiken en vooruitspringende kanten van de rots, die daar diep naar beneden schoot. Hij was slechts te dieper neergevallen. Boven hem had de strijd geraasd en gedreund. En hij had niet kunnen helpen. Zwaargewond en gekneusd had hij neergelegen. Hij had ze hooren wegtrekken naar een burcht, die dreigend van een nabije hoogte neerkeek.

— Maar hoe weet je dat vader leeft," riep Roswitha.

— De naam van het slot!" riep vader Hubertus bijna tegelijkertijd.

— Reichenstein, een sterke beruchte burcht in sterke en beruchte handen," steunde Herman.

En Roswitha:

— Uw Edelheid weet hoe het is in de bergen. Een wending

Sluiten