Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijde, wijde vlakte en daarop, achter bruine omheining, tenten zoover het oog reikte; tenten groot en klein, kleurige banieren en wimpels boven het spitsend en rondend grauw en wit, de keizerlijke standaard boven alles uit.

Van de torens der beide gelijknamige zustersteden wapperden de vlaggen. Vlakte en kamp waren levendig van druk gedoe eener menigte aan den vooravond van groote gebeurtenissen.

Jodocus haalde uit zijn reiszak kaproen en kraag met bellen en trok die over hoofd en schouders, hing zich een kleinen hoorn om en nam den langen rinkelenden narrenschepter in de hand.

— De nar vooruit!" riep hij.

Na hem kwam Roswitha, dan vader Hubertus.

Koert in de achterhoede.

In draf ging het weer verder, tot zij gracht en staketsel naderden die het kamp omsloten, en door de wacht werden aangeroepen.

Jodocus' vuurroode kap en bellen hadden die al van verre toegeblonken en toegeklonken.

— Laat de dwaasheid niet lang buiten, vriend," riep Jodocus een van hen tegemoet, „en meld den ridder der wacht dat Jodocus, 's Keizers nar, boden naar den Keizer geleidt, die deze met vreugde zal begroeten."

Meteen zette hij zijn hoorn aan den mond en toeterde er lustig op los.

De ridder behoefde niet geroepen te worden. Hij kwam op Jodocus' schel getoet.

— Ruim baan en geleide voor boden van Ridder Dagobert van den Valkenburcht," galmde Jodocus, en groette den jongen edelman met zwierigen zwaai van zijn schepter.

— Ik ken meester Jodocus," antwoordde deze. „Ha, daar is nog een bekende: graaf Auerspergs trouwe dienstman."

— En de twee anderen zijn de eigenlijke boden," viel Jodocus haastig in. „Talm niet, ridder. Welkome boden komen nooit te vroeg."

Sluiten