Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij waren op het plein vóór de tent van den Keizer.

Het zware hangtapijt voor den ingang werd weggeduwd, een ridder uit 's Keizers onmiddellijke nabijheid trad naar buiten, verstoord over het ongepaste rumoer.

— Ruim baan voor de boden van Ridder Dagobert van den Valkenburcht," galmde Jodocus nog eens zoo luid hij kon.

De ridder, graaf Auersperg, keerde in de tent terug en kwam na weinig seconden haastig op hem af.

— Een Godsbode zijt gij, Jodocus, zoo gij in ernst spreekt," riep hij hem toe.

Zijn blik gleed over het Jodocus volgend drietal en bleef op Koert rusten.

Koert had zijn kap afgeworpen en deed dan ook alle moeite om zijns meesters aandacht te trekken.

— Mijn trouwe Koert," groette Auersperg met een glimlach

Hij bleef steken.

Evenals Ehrenfried trof hem het witte paard en de tengere onbewegelijke gestalte daarop.

— Vraag Zijne Majesteit of hij de boden ontvangen wil, Heer Graaf," drong Jodocus.

— De Keizer heeft gehoord en beveelt dat zij komen," antwoordde graaf Auersperg, de oogen op Roswitha.

Jodocus zwaaide zijn narrenschepter en keek met trotsche vreugde om zich heen.

Het doel van zijn luidruchtig optreden' was bereikt:

Onmiddellijke toegang tot den Keizer, en — Ridder Dagoberts naam in veler ooren.

— Zijn Majesteit wacht u," zeide graaf Auersperg tot Roswitha.

Hij vatte Freia bij den teugel en geleidde haar voor den ingang van 's Keizers tent.

Daar tilde hij de lichte gestalte uit den zadel, zonder een woord, een bük.

Sluiten