Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij had zich laten gaan in een streeling van gewaarwordingen, waarvan zij zich geen rekenschap had gegeven; in een steunen op hem, dat even natuurlijk had geschenen als het steunen op haar vader en tante Gonda.

En nu daarvoor in de plaats het heftige, overbruisende, dat haar had overstelpt, en ontroerd, en verschrikt.

— Vader, lieve vader," snikte zij in een plotseling zich alleen en hulpeloos gevoelen.

— Ik moest alleen denken aan vader; aan zijn leed en aan zijn bevrijding," verweet zij zich-zelf.

Na graaf Auerspergs woorden leek haar nu ook de weg tot hem ondermijnd.

En haar vermomming ij del.

Zij zonk op de knieën in een vurig gebed om leiding en licht.

Buiten ging de regelmatige stap der schildwachten. Het kamp was al lang in rust, toen Roswitha zich eindelijk tot rusten uitstrekte.

— Ik weet dat vader mij noodig zal hebben. Zijn eenigste..

zijn liefste. Ik niet bij hem! Ik zal nooit Godelieve's pij

afleggen. En onder die pij mijn jongenspak dragen. En mijn haren afknippen. Mij nooit op den voorgrond wagen. O, zoo bescheiden zal ik mij achter vader Hubertus en Jodocus schuil houden.

En nu wil ik slapen om morgen uitgerust te zijn," vermaande zij zich-zelf en sloot de oogen.

Maar het moede hoofd klopte en de moede leden waren onwillig.

De rusteloosheid duurde en nam toe bij elk uur dat volgde. Verloren uren, zoo kostbaar om kracht te herwinnen en moedig het moeilijke tegemoet te gaan.

Doodstil en zonder gedachten had zij willen neerliggen. Maar langzamerhand werd de vrees dat zij te uitgeput zou zijn om den volgenden middag te kunnen vertrekken tot martelende zekerheid.

Sluiten