Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de jonkvrouw goed had gerust, een vraag waarop vader Hubertus het antwoord had moeten schuldig blijven. Nu kwam jonker Eberhard aan, die hem zeker hetzelfde zou vragen. En — van den tegenovergestelden kant weer ridder Ehrenfried.

Zoodra die laatste den schildknaap bemerkte, scheen hij te willen omkeeren. Maar Eberhard liet hem daartoe tijd noch gelegenheid. Hij was al naast hem.

— Zeker evenals ik op weg om uwe opwachting te maken bij mijne nicht, ridder," hoorde vader Hubertus den jonker zeggen. „Zij zal het kamp nog van middag verlaten. Auersperg heeft van den Keizer opdracht gekregen haar met eenige ruiters uitgeleide te doen tot Eberbach, en is nu bezig met beschikkingen voor hare reis. Wil ons aandienen, eerwaarde vader," verzocht hij.

Vader Hubertus was hun tegemoet gegaan om den jongen windbuil, zooals hij Eberhard in stilte noemde, uit de nabijheid van de tent te houden, en te zeggen dat hij de nog slapende niet mocht storen.

De jonge edellieden gingen elk huns weegs.

Vader Hubertus werd wat ongedurig.

De zon stond nu op haar hoogst. Wilden zij nog vóór den avond te Eberbach zijn, zoo werd het tijd om zich gereed te maken; binnen een half uur moesten zij in den zadel zijn.

Hij liep de tent om, luisterend naar eenig geluid, met zichzelf in strijd of hij Roswitha wekken zou.

Eensklaps stond hij stil.

Riep zij?

Nóg eens. Maar zoo zacht!

Had zij meer geroepen en had hij 't niet gehoord?

Hij was al bij den ingang....

Weer. En met zoo'n vreemde en zwakke stem, iets daarin dat hem haast deed maken om den van binnen gesloten voorhang los te krijgen, wat hem in zijn overijling eerst na veel tasten en grijpen gelukte.

Sluiten