Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Govert had de namen der belagers genoemd. Hij zou worden meegenomen, en van het gelukken van den tocht zou voor hem veroordeeling of genade afhangen. Zijn hulp zou niet twijfelachtig zijn.

Van Jodocus' brief had vader Hubertus met vergunning van graaf Auersperg een afschrift genomen, dat hij in een der diepe zakken van zijn pij zorgvuldig bewaarde om dat Roswitha te vertoonen en te laten lezen zoodra zij daartoe in staat zou zijn.

Ja, ja, alles was op goeden weg voor ridder Dagoberts bevrijding!

Maar dat zij zijn woorden zóó ruim en zóó letterlijk zou opvatten

In elk geval gaf het haar nu rust, en rust was voor haar nog dringend noodig, zooals zuster Benedicta hem bij zijn binnenkomen weer op het hart had gedrukt.

— Goed met vader"....

Zij herhaalde zachtkens die woorden.

Voor de onbewuste rust was dankbare kalmte in plaats gekomen.

Hij wilde weggaan

Maar haar hand!

— Blijf nog wat 't Is of er een engel naast mij zit."

Dat was iets waarmede de groote forsche geestelijke niet

gedacht had ooit vergeleken te worden!

De strijd tusschen dankbaarheid en ontroering dat hij haar goed had gedaan, en de onrust dat hij meer verwachtingen bij haar had verwekt dan hij kon verantwoorden en die teleurstelling zouden brengen, was zóó zichtbaar op zijn gelaat, dat zuster Benedicta, bevreesd voor een uitbarsting, op hem toetrad en hem zacht de kamer uitleidde.

Vader Hubertus liep de gang en het huis uit onder zeer gemengde gevoelens.

Sluiten