Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En zijn keurbende had niet minder gedaan dan hij.

Graaf Eberstein had het uitgehouden tot het laatste toe en was eerst met wonden overdekt in de handen zijner vijanden gevallen. Het was Ehrenfried Bernsdorff geweest die hem het zwaard had afgeëischt, maar Eberstein had het den neef met een verwensching geweigerd en den ouden graaf Bernsdorff toegeslingerd, een laatste krachtsinspanning, die hem met veel bloedverlies bewusteloos had doen neerzinken. Prins Hendrik, afgesneden van de zijnen, was omsingeld en gevangen genomen. Dat had den wederstand van zijn aanhangers gebroken. De terugtocht was een vlucht geweest.

Het keizerlijke kamp lag wijd en laag met de veelpuntige rondingen der tenten links.

Vader Hubertus ging met al sneller en forscher stappen daarheen.

Na wat hij Roswitha had gezegd, had hij behoefte te hooren of daar nieuwe berichten van Jodocus waren gekomen, uitvoeriger en stelliger berichten, die zijn geweten bevredigen en hem geruststellen konden.

Na een uur geloopen, of beter gerend te hebben, weer een ontmoeting: Jonker Eberhard, den arm in een slinger, het blozend gelaat wat bleeker; en naast hem ridder Nikolaas, de rechterhand in een doek en de eene helft van zijn hoofd zoo omzwachteld en verbonden dat hij bijna onherkenbaar was.

Zij drentelden samen den weg af, dicht naast elkaar, als om elkaar te steunen en als twee, die lang ziek en van versche lucht verstoken, nu halfdronken van licht en lucht met moeite den rechten koers houden.

Vader Hubertus hield zijn vaart in, vroeg, maar zij wisten niets van berichten.

Hij keek hen na.

Sedert den slag begroette hij elk „levend gezicht van kennis," zooals hij zich uitdrukte, als een op nieuw geborene, een hem weergegevene, een geschenk. Jonker Eberhard had nooit tot zijn

Sluiten