Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lievelingen behoord, en ridder Nikolaas had hij maar eens gezien, toch keek hij hen op dit oogenblik na met een bijna vaderlijk gevoel van dankbaarheid dat zooveel jonkheid gespaard, en er met weinig leeds was afgekomen.

Daar waren er zoovelen gevallen, of, wat wellicht erger was, verminkt en onherroepelijk bedorven voor het verdere leven.

Oorlog was duivelswerk!

Hij had zijn krachten gebruikt na den slag; had geholpen waar te helpen viel. Zijn sterke armen en beenen, zijn rug en schouders hadden dienst gedaan!

Hij was de rechterhand geweest van de Benediktijner zusters uit de buurt, bij wie hij zich had aangesloten, en naar wier klooster hij menig gewonde had helpen vervoeren.

De dag van den slag was voor hem een dag van vuur en bloed geweest; een r o o d e dag zooals de hel er geen rooder kon opleveren. Jong en oud, bruin en blank had daar onder en over elkaar gelegen, onder bloedende paardenlijven en verbogen bloedige wapens.... Weg, hij kon er niet aan denken!.... En het was hem-zelf nog een raadsel hoe hij daarnaast had kunnen staan en waden in bloed, kalm en scherp acht gevende op alles wat gedaan moest worden om te helpen en het lijden minder te maken; gesterkt, hij de sterke! door het rustig en beslisten ervaren optreden der zachte zusters van den Heiligen Benediktus. Zoo had hij den bewusteloozen, maar nog levenden ridder Hohenberg onder een hoop van lijken opgenomen en op een der door haar medegevoerde draagbaren gelegd, en bij dat opnemen in een der andere lijken den jongen Meerwalden herkend, graaf Auerspergs schildknaap, die den oorlog wenschte om de gouden riddersporen! Hij had bij die herkenning den jonkman vóór zich gezien zooals toen aan den avondmaaltijd op

den Valkenburcht En nu stijf en blauw en het jonge lichaam

verscheurd en vertrapt....

Vader Hubertus had het kamp bereikt. Een schildwacht riep hem aan, maar liet hem door toen hij hem herkende.

Roswitha. *5

Sluiten