Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor de tent van graaf Auersperg hield vader Hubertus stand.

De jonge edelman sprong haastig op bij zijn binnentreden en vader Hubertus' gejaagdheid scheen op hem over te gaan.

Hij staarde hem aan zonder te spreken en vond eerst woorden toen deze hem naar tijding van Jodocus had gevraagd.

Geen tijding sedert eergisteren. Ik vreesde bij uw binnenkomen voor slechte tijding door u, van de jonkvrouw," antwoordde hij, schoof een der zitten naar voren en dwong hem tot een oogenblik rust. En tot vertellen hoe het met Roswitha ging.

Maar vader Hubertus was heel kort van stof, nu er geen kans op nieuwe berichten was. Hij had meer in 't hoofd en nog veel meer behoefte om de beenen te bewegen en zich te vermoeien.

— Ik moet naar het klooster, naar mijn gewonden," zeide hij, nadat hij verteld had.

Auersperg ging een eind met hem mee, in de hoop nog wat te hooren en vader Hubertus zag zich genoodzaakt zijn tred te matigen en te regelen naar dien van zijn jongen metgezel.

Auersperg had bij den strijd kneuzingen bekomen die hem het gaan moeilijk maakten.

Daarna alleen in denzelfden stormpas verder.

Ondanks den guren wind parelde hem het zweet op het voorhoofd toen hij een uur later de groote ziekenzaal in het klooster binnentrad en aan den ingang stilhield, niet alleen om „zijn gewonden" te overzien, maar om uit te blazen en op adem te komen.

Daar lagen ze, de meesten stil en bewegingloos, in gelijke lage houten legersteden, onder gelijke liefderijke zorg van de zich stil bewegende zusters, vriend en vijand broederlijk naast elkaar, of de vijandschap en de verbittering tusschen hen van weinig dagen geleden niet hadden bestaan en de oorlog een nachtmerrie was geweest.

Sluiten