Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Zoodra de eerste daartoe verlof geeft, zal ik u een brief van Jodocus voorlezen waaruit gij kunt zien dat alles op den goeden weg voor ridder Dagoberts bevrijding is. Voorloopig moet gij genoegen nemen met wat ik u gisteren daaromtrent gezegd heb."

En als had hij haar teleurstelling bij die woorden niet opgemerkt, verviel hij tamelijk breedsprakig in een opsomming van alles wat haar oom, graaf Bernsdorff en zijn neef, graaf Auersperg en ridder Ruprecht van Herrenstein, de oude Heer van Bolanden en graaf Diether van Katzenellenbogen voor haar vader gedaan en hoe zij voor hem getuigd hadden. Verder dat graaf Bernsdorff iederen middag zelf naar tijding van haar kwam vragen; en hoe graaf Auersperg datzelfde iederen morgen deed uit naam van den Keizer. Ook haar neef Carel Hohenberg kwam, en vele anderen.

— En Oom?" vroeg Roswitha. „Zeg hem dat hij zich niet aan de deur laat afwijzen. Hij moet binnenkomen. Ik zal blij zijn hem te zien. Zeg dat ook aan graaf Bernsdorff."

Vader Hubertus stond haastig op.

Haar oom! de gewonde ridder van Hohenberg!

— Ik heb het dezer dagen heel druk Ik moet naar....

„Mijn gewonden," had hij bijna in zijn verwarring verraden.

En zij die nog van niets wist!

Het was ook om het hoofd te verliezen bij zooveel dat te verbergen viel.

— Ik kom morgen terug."

Hij was de deur al uit voordat zij gelegenheid had zijn verwarring op te merken. Daar was hij zeker van.

Roswitha keek hem na, heel lang, met pijnlijke verwondering.

— Laat oom Hohenberg en graaf Bernsdorff binnen, lieve zuster, als zij naar mij komen vragen", drong zij, een vage onrust in haar.

Zij liet zich willig genoeg weer naar bed brengen. Zij was moeder dan zij had vermoed en liggende kon zij rustiger nadenken.

Sluiten