Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXII.

Zij waren op weg.

Wimpffen in het dal school al in diepte der vlakte weg. Wimpffen op den Berg keek hen nog na. De rotsenreeksen der romantische valleien van den Neckar werden al lager, deinsden

al meer en meer Binnen weinige minuten zou daar ^niets

meer te zien zijn van de plek waar zij zooveel en in zoo weinig tijds had doorleefd.

Roswitha gevoelde zich als de jonge schildknaap bij zijn terugkeer na zijn eersten veldtocht. Hij heeft zijn kracht tot het uiterste moeten inspannen en die gemeten met hem nog onbekende machten. De schok trilt nog na, maar de schok is doorstaan, en heeft hem rustiger en sterker gemaakt.

Vader Hubertus, die haar en graaf Bernsdorff ter zij reed of volgde, al naarmate de onevenheden van den weg of zijn muildier dat toelieten, had de oogen niet van haar af.

Wat hem in haar boeide zou hij niet hebben kunnen zeggen — zijn gevoel was altijd sterker dan zijn woorden. Hij voelde alleen dat zij groeide, groeide, en zoo snel! dat alles in haar was op weg van ontplooiing en bloeseming.

Zelf was zij er zich niet van bewust welk een wonderbaar mooi sterk menschenkind zij was. En hij meende daarmee meer de innerlijke dan de uitwendige Roswitha. De nabijheid van een schoone menschenziel, in welk omhulsel ook, was voor vader Hubertus een genot.

En meteen dacht hij aan Jodocus, dien hij miste en naar wien hij verlangde.

Roswitha werd meer en meer opmerkzaam op den weg, denzelfden gevolgd bij hun komen. Bij elk herkenningsteeken knikte zij vader Hubertus toe als wilde zij zeggen dat het beter Roswitha. 16

Sluiten