Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was den weg in deze richting te volgen: Zóó ging het naar haar vader en naar huis.

Zij hadden eerst stapvoets gereden, nu in gestrekten draf en zonder dat het haar hinderde, verzekerde zij graaf Bernsdorff.

Auersperg had zij niet meer gezien. Hij had vader Hubertus verzocht haar zijn groet over te brengen. Ridder Ruprecht van Herrenstein had hem vervangen om uit naam van den Keizer naar haar bevinden te vragen. Dezen morgen had ridder Ruprecht haar een kort schrijven van den Keizer overhandigd: een afscheidsgroet aan haar, een groet en een wensch voor zijn welzijn aan haar vader.

Daarna stonden woorden die veel zouden goedmaken.

Bij den brief was nog een schrijven van grooteren omvang, gesloten met het Keizerlijk zegel, en ook voor haar vader bestemd.

Zij zouden te Eberbach een uur rust nemen.

Toen de herberg in 't zicht kwam, deed vader Hubertus een uitroep, en dreef zijn muildier met zooveel vastheid van wil en beenen aan, dat zijn viervoeter gehoorzaamde en vooruitstoof.

Vóór de herberg stond een geestelijke, die Roswitha bekend voorkwam. Zij zagen vader Hubertus op hem toerijden, hem begroeten, uit den zadel springen en naar binnen gaan.

En met stralend gezicht buiten de deur terugkeeren.

— Daarbinnen wacht ons iets goeds," merkte graaf Bernsdorff aan.

Roswitha gaf geen antwoord, het oog op de deur, alsof zij door vader Hubertus heen kon kijken. Zij zette haar paard clan. • • • •

Uit de deur kwam een geestelijke zuster, een nieuwelinge...

— Godelieve!" riep Roswitha.

Het volgend oogenblik waren Godelieves armen om haar heen.

— Dit is mijn lieve Godelieve, graaf, de dochter van uw gevangene," stelde Roswitha voor.

Sluiten