Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXIII.

Het was nog vroeg.

Vader Hubertus richtte zich op en stak het hoofd naar buiten. Hij was eerst laat ter rust gegaan, hij en degeen wiens tent hij deelde: Jodocus.

— Vermoeiende uren gisteren", zei die laatste. Je biechtkind heeft zich goed gehouden. En duchtig geholpen! Wat die

eens aanpakt Ik wilde haar weg hebben toen zij er een paar

onder handen had gehad, maar ik merkte gauw dat ik mijn raad thuis kon houden."

— Zij deed zooveel en zoolang zij kon. En de arme stakkerds waren zoo stil en gedwee onder haar handen."

Vader Hubertus bekeek onwillekeurig de zijne, groot en pootig, die zich ook geroerd hadden.

Hij had nagedaan wat hij de zusters van den heiligen Benediktus had zien doen, en dat met altijd meer vertrouwen en zekerheid.

Hij had behoefte om zich uit te strekken en beweging te nemen, en trots wind en regen was hij eenige oogenblikken later buiten den linnen driehoek, dien Jodocus zijn tent noemde.

Eerst naar Roswitha.

Alles daar in rust.

Daarop naar de gewonden, voor wie men de ruimste tenten had genomen.

In een dier laatste trof hij Auersperg.

— Was dat gisteren avond en nacht niet veel voor de jonkvrouw, eerwaarde?" vroeg deze met iets dat vader Hubertus als verwijt voorkwam.

Zij verlieten te zamen de tent.

Op het plein wachtten eenige gewapenden. Auersperg ging op zijn ronde uit, een tocht die wel een uur zou vorderen. De

Sluiten