Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het dal werd van verschillende kanten genomen, de weg naar den burcht versperd.

Regen en wind doofden voetstappen en hoefgetrappel, zoowel van de wachtenden als van de verwachten. Het bleef stil.

Eindelijk, heel even en flauw: hoefgetrappel niet in het dal, maar hooger op, van den kant waarvan zij gekomen waren.

Zij bleven wachten.

Niets meer.

— Wij moeten 't opgeven, mannen," zei Auersperg een uur later en keerde terug naar de plaats waar hij vader Hubertus gelaten had.

Vader Hubertus was er niet meer. Vermoedelijk ongeduldig geworden en teruggekeerd.

Maar in het kamp was hij niet. Boden werden uitgezonden naar de overige kampen; de omtrek doorzocht. Niemand had hem gezien. Hij bleef weg.

— De Reichenstein heeft hem ingeslokt," zei Jodocus, maar hij zal hem binnenkort weergeven. Ze hebben zeker daarginds zijn hulp noodig gehad. Er was een gewonde bij dat troepje op verkenning. Daarmee wisten zij zeker geen raad. Alles komt gauw terecht."

— Goede vader Hubertus," zeide Roswitha, „offer van zijn gehechtheid aan ons."

— Twee voor één om op te eischen morgen," vervolgde Jodocus. „Vroeg in den ochtend zal dat zijn."

Hij sprak op luchtigen toon, en zonder Roswitha aan te kijken.

Werd de toestand niet altijd ingewikkelder? Handelden zoo lieden die zich binnenkort zouden onderwerpen ?

Zij vroeg zich dat af, ook dien volgenden dag, den grooten beslissenden dag der opeisching.

Sluiten