Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jodocus zat op den grond vóór haar groene kamer, de armen om de hoog opgetrokken knieën, de kin daarop, de oogen op haar, wier wijd open oogen ver uit staarden, alsof haar lichaam leeg was van gedachten en die alle daar, waar nu de hoorn bij korte tusschenpoozen klonk.

De laatste opeisching verscherpt door alles wat daaraan kracht kon bij zetten: Onmiddellijke overgave en uitlevering van de gevangenen of, bij gebreke daarvan voortzetting der belegering en scherp recht voor allen als de burcht viel, ook voor de gevangenen in 's Keizers handen. !

Geen van beiden sprak. Beiden luisterden, Roswitha alsof zij graaf Bernsdorffs stem zou kunnen onderscheiden en het daarop te volgen antwoord.

De oproeping van den heraut had geschald, kort en scherp boven de andere geluiden uit.

Koert kwam voorbij. Hij was onder de achtergelat enen in het kamp.

Hij knikte Jodocus toe met een gezicht waarop duidelijk te lezen stond:

— Nu gaat het er op los."

De spanning werd Roswitha te sterk.

— Ik kan niet blijven, Jodocus," zeide zij kort en strak. „Breng mij waar ik zien of hooren of berekenen kan wat daarginds omgaat."

Zij trad naar buiten hulpeloos om zich heen kijkend, vertrouwend dat Jodocus haar volgen en den weg wijzen zou.

Maar Jodocus volgde niet.

Wel was hij opgesprongen, maar om haar in den weg te treden, zijn kleine gestalte zoo hoog mogelijk opgericht; de Jodocus, dien zij had gezien als bode van graaf Auersperg in de bovenzaal van den Valkenburcht; bij zijn terugkeer van den magistraat in Frankfort, en na hun bereiken van de Keizerlijke tent.

— Graaf Bernsdorff en graaf Auersperg hebben voorzien

Sluiten