Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niet bij den Keizer te zijn, nu de Keizer hem noodig had; den Keizer niet te kunnen belijden waarin hij tegenover hem was te kort geschoten, noch zijn schuld te delgen door wat zijn leenheer hem in volle rechtvaardigheid daartoe als zoen zou opleggen, dat was nog harder dan zijn gevangenschap, dan zijn gedwongen wegblijven uit het kamp, dat met eiken dag raadselachtiger en onrustbarender moest schijnen.

In zijn rustige hooghartigheid kwam het niet bij hem op dat iemand kon twijfelen aan zijn trouw.

Hij had plannen tot ontvluchting gemaakt, maar ze alle als onuitvoerbaar moeten opgeven.

Zijn kamer had geen andere toegang dan de met zware ijzeren nagels beslagen deur, waarvoor dag en nacht een wapenknecht op post stond. De schouw, die als een groote omgekeerde steenen trechter naar boven liep en op dak moest uitkomen, was voorzien van ijzeren dwarbouten.

Hij had de muren van zijn kamer beklopt, ook de breede roode plavuizen waarmee de vloer bedekt was. Muren noch vloer hadden verraden dat daar trap of gang verborgen was. Zijn raam was juist laag genoeg om niet over de tegenoverliggende gebouwen te kunnen kijken, en juist hoog genoeg om er geen sprong uit te wagen.

Waartoe ook?

Bouw en inrichting van den burcht waren hem even onbekend gebleven als naam en ligging.

Waarheen hij zich wendde, overal looden onzekerheid.

Alleen op den Valkenburcht waande hij zich te kunnen voorstellen hoe het was toegegaan. Met pijnlijke duidelijkheid en scherpte zag hij Roswitha de torentrap oploopen, uitkijken met stijgenden angst, de wacht ondervragen, en lange besprekingen houden met zijn schoonzuster en Wolf. Met dien laatste vooral. De oude deed zoo graag gewichtig met woord en blik! Hij zag hem daarmee nu vooral werken, naarmate hijzelf onrustiger en bezorgder werd.

Sluiten