Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij liep de kamer op en neer met gloeiend hoofd. Hij zag niets dan dat laatste: verlaten van den Keizer en zijn vrienden, zijn naam onteerd.

Was alle geestkracht in hem dood?

Begon het gemis aan forsche beweging in vrije lucht, aan bezigheid, aan arbeid op hem in te werken met stille sloopende macht ?

Te vergeefs hield hij zich vóór dat hijzelf den Keizer en zijn vrienden onteerde door hen te verdenken aan zijn trouw te twijfelen; dat geloof en vertrouwen in hun ridderlijkheid en in zijn eigen niet te kreuken eer hem verder zouden brengen dan dit waanzinnig broeden en vertwijfelen. Het ging niet. Een onmacht was in hem. Al het strijdende gebonden.

Hij stond stil.

Iets trof hem.

Het schaakspel stond zooals hij het gelaten had. Hij kon de stukken even duidelijk als bij dag onderscheiden

Daar was meer licht in zijn kamer dan anders!

Nu eerst bemerkte hij dat de dienaars vóór hun vertrek op het dressoor de twee reusachtige vetkaarsen hadden aangestoken die tot nog toe niet hadden gebrand.

Het gaf afleiding aan zijn gedachten. Wat had dat te beduiden? Toch geen opmerkzaamheid van zijn „gastheeren"?

Hij hervatte zijn wandeling.

Weer stond hij stil.

De grendels werden weggeschoven. De deur wat naar binnen geduwd.

Niemand kwam binnen.

Hij hoorde den schildwacht de trappen afgaan, trede voor trede, altijd lager, en het geluid van zijn stappen zich verliezen in de gang.

Was de weg vrij?

Hij glimlachte bitter over zijn onnoozelheid.

De schildwacht zou wel niet verre zijn, en zeker zóó op-

Sluiten