Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXVI.

Vroeg in den morgen zag hij Assenrode vertrekken.

Hij had op den uitkijk gestaan met het voornemen nog zijn aandacht te trekken en zooveel mogelijk door blik en gebaren de ware toedracht duidelijk te maken, maar het geweld van storm en regen verijdelde elke poging. Daarenboven gaf een der ridders Assenrode met eenige ruiters het geleide, onderhield zich levendig met hem en had daarbij de voorzorg genomen den jongen gast te doen rijden tusschen hem en dien kant van den burcht, waar ridder Dagobert zijn kamer had. Zoo kon hijzelf te beter dat venster in het oog houden en het gelaat van zijn gast daarvan afwenden.

Dienzelfden middag bezocht hem zijn andere bewaker.

Ridder Dagobert begreep dat hij wat te zeggen had dat plaats moest vinden in hun plan om hem te bewerken, en wachtte af met stalen onverschilligheid.

— Ik vermoed dat u moet hebben getroffen wat de jonge Assenrode heeft gezegd," begon hij. „Het voorbeeld van Prins Hendrik en van het uwe — aan uw wegblijven kan men slechts één uitleg geven — wekt navolging." Dit laatste werd met beteekenisvolle langzaamheid gezegd. „Prins Hendrik heeft zich meer dan de evenknie van den Keizer betoond; en hij trekt niet alleen de jongeren maar ook de ouderen en meer bezadigden tot zich. 's Keizers tij verloopt, en dat van den zoon komt op: het getij van de toekomst."

En hij haalde de schouders op of daarmee alles gezegd was.

— Het oogenblik is gekomen waarop éénheid in het rijk kan terugkeeren. Wanneer alles zich wendt tot den zoon

Ridder Dagobert staarde langs den spreker of hij niet gehoord had.

— De uitslag van den veldslag zal niet twijfelachtig zijn,"

Sluiten