Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De dagen sleepten voort.

Acht dagen van bijna rustelooze bestorming, en zonder eenig merkbaar voordeel voor de belegeraars!

Ridder Dagobert overlegde de kansen van overgave.

Daar waren burchten in de Rijnstreken, gebouwd op bijna ontoegankelijke hoogten, alleen te winnen door uithongering.

Hoeveel maanden moesten verloopen voordat de levensmiddelen van dezen burcht zouden zijn uitgeput! Zijn tafel bleef even rijk voorzien als voorheen.

En zoovele van deze ongenaakbare vesten hadden sluipgangen, waardoor, ongezien door de belegeraars, allicht een paar muilezels of paarden met proviand konden worden binnengeleid.

Zijn vermoeden omtrent het bestaan van een noodgang werd nog dien middag bevestigd.

Hij zag zijn beide hoofdbewakers op het slotplein in gesprek met een hun tot nog toe onbekend ridder.

Hoe was deze binnengekomen, nu de hoofdpoort en alle andere toegangen versperd waren?

Den nacht daarop werd hij gewekt door een geluid sedert de belegering niet meer gehoord.

Hoefgetrappel op het binnenplein.

Een uitval bij nacht om den vijand onverhoeds aan te grijpen?

Hij haastte zich in de duisternis naar zijn raam.

Niet meer dan vier paarden telde hij bij het roode schijnsel der flambouwen beneden. Dat kon het niet zijn.

Een zijner bezoekers steeg in den zadel en reed weg, gevolgd door drie ruiterknechten in de richting tegenover de hoofdpoort.

Hij keek ze na, zoover hij kon.

Ruiters en paarden, met de hen bijlichtenden voorop, daalden af in wat hem een verwulfde gang scheen.

Sluiten