Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij ging nog eens na wat hij had kunnen gewaarworden bij den terugkeer der ruiters.

Niets wat zijn vrees bevestigen, of zijn onrust stillen kon.

Noch den volgenden dag, noch den daarop volgenden een glimp van vader Hubertus.

De bestorming was hervat.

De valbrug was met daverend geweld bezweken, doch de poort weerstond alle schokken en stooten. Het regende steenen en vlammende pekkransen; de pijlen snorden en krasten tegen borstwering, muur en omgang

De burcht stond onwrikbaar.

Vermoedelijk konden de torenhooge blijden door de omringende afgronden en scheuren van het terrein niet dicht genoeg naderen om hun valbruggen uit te werpen en vast te haken aan de muren, om de belegerden in eigen veste te bestoken.

Ridder Dagobert stond op zijn post van uitkijk, wachtend, turend....

Op eens duwde hij zijn zetel terzij, zoodat die krakend tegen den muur aanbonsde.

De geestelijke, den kaper zóó diep neergetrokken dat alleen oogen en neus te zien waren, tusschen twee wapenknechten op het binnenplein. %

Hij ging langzaam. Hij sprak luid.

Ridder Dagobert hoorde hoe hij zich beklaagde langer terug gehouden te worden. De breuk bij zijn val in de diepte door den ridder opgedaan was gezet, heelde goed. Zijn hulp was niet meer noodig.

Ridder Dagobert trok zijn venster met zooveel geraas open dat het de aandacht der voorbij gaanden moest trekken...

Hij boog zich voorover en keek op in de lucht lang en onbewegelijk.

Sluiten