Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij bleef luisteren.

Maar de storm maakte het onmogelijk iets te hooren.

De nacht vaalde weg in schemer.

Het werd morgen

Had hij geslapen? was hun terugkeeren hem ontsnapt?

Bij het opdragen van zijn ontbijt viel hem de houding der dienaars op.

Daar moest iets voorgevallen zijn! Waren de uittrekkenden verslagen ?

Kort daarop schalden de hoorns vóór en van den burcht.

Was dat de opeisching die na het verslaan van den nachtelijken uitval volgde?

Een boogschutter stak het binnenplein over.... kwam terug met een vijftal knechten, tusschen hen in vader Hubertus, en gingen in de richting van den hoofdtoren.

Daar werd onderhandeld. Maar wat had de geestelijke

daarmee te maken?

Even, vóór zijn raam, waren zij blijven staan. Niet alleen vader Hubertus, ook de anderen hadden opgekeken. Daar was gewezen op zijn raam, op hem.

Een schittering in de oogen van den geestelijke, een groet. En [zij waren gegaan.

De versperring in de poortgang werd opgeruimd.

Ontzet!.... Gered!!

Mocht hij het gelooven!

Gedreun van tallooze voeten.... Heen en weer roepen.... O, had hij in de poortgang kunnen zien! Hij drukte het hoofd tegen de ijzeren staven van zijn venster....

In een oogwenk was het binnenplein overstroomd. Een welbekende stem, kort, hooguit boven het gedruisch: 'Bernsdorffs stem! Auersperg naast hem. Hoe juichten achter hen hun kleurige banieren omhoog in den valen dag!

Sluiten